Woordenlijst

Bladlitteken – is de plek op de de tak of stam waar het in de herfst afgevallen blad gezeten heeft. Bladlittekens zijn plekken waar gemakkelijk infecties kunnen binnendringen.

Cucurbitacine – zijn giftige stoffen die o.a. voorkomen in komkommerachtigen als de pompoen en bedoeld zijn om insecten te weren. De meeste sierkalebassen hebben een hoog gehalte aan cucurbitacine, waardoor deze giftig zijn.

Dieven – weghalen van onnodige zijtakjes die overbodig of zelfs belemmerend zijn voor de groei van vruchten (tomaten, aubergine, paprika, komkommer en pompoen).

Doorschieten – een gewas stopt met groeien en steekt alle energie in bloeien en daarna in zaadvorming. Naarmate bloei en zaadvorming vorderen, verliezen wortels en bladeren hun smaak en worden taai.

Duizendknoopfamilie (Polygonaceae) – omvat vooral kruiden, maar ook struiken en bomen. Boekweit, rabarber en zuring horen ertoe.

Exoot – een plant of dier dat zich gevestigd heeft in een land of continent waar het niet van oorsprong vandaan komt. Bijvoorbeeld: konijnen in Australië, Amerikaanse vogelpest in België en Nederland.

Forceren – het groeiproces wordt zodanig versneld dat er eerder kan worden geoogst, zie ook dossier Forceren.

Groenbemester – gewassen die niet voor menselijke consumptie worden geteeld, maar om de grond te verbeteren en te bemesten.

Guttatie – als het vochtig weer is en een plant onvoldoende vocht kan verdampen met als gevolg daarvan dat de wateropname en verdamping niet meer in evenwicht zijn, ‘zweet’ de plant het teveel aan vocht uit.

IJsheiligen – 11 tot en met 15 mei. Na de IJsheiligen is de kans op vorst aan de grond erg klein, maar kan nog wel voorkomen.

Kiemgroente – groente die wordt geoogst en gegeten als er nog maar twee blaadjes aan het kiemplantje zitten.

Lenticel – een dun plekje in de oppervlakte van knollen, wortels, stengels en stam waar de gasuitwisseling (zuurstof, koolzuurgas en waterdamp) van de plant met de buitenwereld plaatsvindt. Ook wel bast- of kurkporie genoemd. Gasuitwisseling van bladeren vindt plaats via de huidmondjes in het blad.

Natbladperiode – In de professionele fruitteelt wordt gevolgd hoe lang het blad nat blijft. Hoe langer infecteerbare delen, zoals bladeren, vruchten, scheuten nat blijven, hoe groter de kans op infecties. De mate van infectiegevaar is een combinatie van de natbladperiode en de buitentemperatuur.

Nitraten zijn stikstofverbindingen. In de stikstofkringloop nemen planten stikstof in de vorm van nitraten uit de bodem op. Bieten, spinazie, andijvie, radijs, selderij en postelein behoren onder anderen tot de groenten die meer dan één gram (1000 mg) nitraat per kilogram kunnen bevatten; zie ook dossier Nitraat, nitriet.

Oxaalzuur – zwak zuur dat van nature in veel planten (o.m. in rabarber) voorkomt; zie ook dossier Oxaalzuur.

pH – maat voor de zuurgraad van een waterige oplossing. Een neutrale waterige oplossing heeft een pH van 7.

Relatieve vochtigheid – Bij een gelijkblijvende hoeveelheid waterdamp en een dalende temperatuur neemt de relatieve vochtigheid toe: de luchtvochtigheid geeft aan hoeveel waterdamp in de lucht aanwezig is ten opzichte van de hoeveelheid waterdamp die de lucht maximaal kan bevatten: 100% is maximale luchtvochtigheid. Als de luchtvochtigheid groter wordt dan 100%, condenseert de overtollige waterdamp in de vorm van dauw, mist of rijp.

Solanine – is een natuurlijke gifstof, die de aardappel beschermt tegen aanvallers. Solanine wordt onder invloed van licht in de schil en in de uitlopers van aardappelen gevormd. Te herkennen aan de groene plekken op aardappels. In tomaten kan een verwante stof voorkomen: tomatine. Dit komt uitsluitend voor in onrijpe (groene) tomaten. Beide stoffen zijn giftig in grote hoeveelheden.

ssp – afkorting van subspecies, ondersoort. Een soort kan verschillende ondersoorten hebben.

Stinsenplant (ook wel Stinzenplant) is de naam van een groep planten die verwilderd zijn uit ooit ingevoerde sierplanten op buitenplaatsen, boerenerven en pastorietuinen.

Symbiose – vorm van samenleven van twee verschillende soorten organismen, waarbij beiden of één baat hebben. Berken leven is symbiose met bodemschimmels zoals de vliegenzwam.

Vanggewas – lokken plaaginsecten weg. Echte vanggewassen zijn Oost-Indische kers (trekt bladluis, koolwitjes, witte en wortelvlieg aan), afrikaantjes (trekt wortelaaltjes aan) en raketblad (trekt aardappelaaltjes aan). Ook nuttig: lavendel houdt bladluis op afstand en goudsbloemen weren aaltjes en witte vlieg. Ook zonnekruid (Helenium) en kogeldistel (Echinops) weren aaltjes, zegekruid (Nicandra physalodes) weert witte vlieg.

Waardplant – is een plant waarop een organisme voedsel vindt dat nodig is voor de groei. Insecten, rupsen, schimmels en bacteriën maken gebruik van waardplanten. Zie ook dossier Waardplant.

Wisselteelt – eenjarige planten die in opeenvolgende jaren van plek wisselen om ziektes te voorkomen.

Wondparasiet – schimmel die bomen via bladlittekens, beschadigingen en snoeiwonden binnendringt.

Bladlitteken op tak van notenboom, foto: Rasbak - CC BY-SA 3.0
Guttatie van aardbeiplant, foto: Ies - CC BY-SA 3.0
Lenticellen op vlier, foto Rasbak - CC BY-SA 3.0
Vanggewas Oost-Indische kers, foto: CC0 Public Domain
Berijpte klimop, foto: TuinTekst
Vliegenzwam, foto: CC0 Public Domain
Zegekruid, foto: Teun Spaans - CC BY-SA 3.0