Sla

Voor elk seizoen is wel een geschikte slasoort te vinden.

CC0 Public Domain

Sla – (Lactuca) produceert veel blad en heeft daarom een voedzame grond nodig. Geef regelmatig water. Zodra de groei stopt, schiet sla door en gaat bloeien. Voedselgebrek veroorzaakt voortijdig doorschieten.
Zaai steeds een beetje sla, ongeacht de soort, zo ben je een zomerlang verzekerd van verse sla.
Als sla na de langste dag (21 juni) gezaaid wordt, schiet ze niet meer door.
Kropsla, waaronder krulsla en eikenbladsla, vormt een vrij losse krop. Zaaien onder glas in februari en in april in de volle grond.
IJsbergsla heeft knapperig blad en een stevige krop. IJsbergsla kan al in januari in een pot op de warme vensterbank worden gezaaid; onder (koel) glas in februari en in maart in de volle grond.
Pluksla of snijsla vormt geen krop maar bestaat uit losse bladeren. Pluksla zaaien in maart en april.
Romeinse sla heeft een stevige krop met een geel hart. Zaaien onder glas in februari, vanaf april in de volle grond.
Bij tuincentra zijn van de meeste slasoorten jonge plantjes te koop.
Luizen, slakken en rupsen houden ook van sla; verwijder ze. Sla is gevoelig voor schimmels; door de planten de ruimte te geven en een ze op een niet al te beschutte plek – lees: winderige plek – te zetten, wordt schimmelvorming voorkomen. Na een regenbui drogen de planten snel.
Voor elk seizoen is er wel een slasoort. Kijk op de verpakking voor de juiste informatie. Sla groeit snel, in de zomer heeft sla gemiddeld acht weken nodig om te kunnen worden geoogst. In de herfst duurt dat een week of wat langer. Sla is ook een prima teelt op overgebleven stukjes, tussen langzame groeiers (prei) of onder en tussen de bonenstaken. Sla houdt van een vruchtbare bodem en van licht. Als sla te donker staat, vormt hij lange, slappe bladeren.
Augustus is de laatste maand waarin sla nog als nateelt kan worden gezaaid.

Plaaginsect

Schade door emelten, foto: Rasbak – CC BY-SA 3.0

Jonge slaplantjes worden aangetast door emelten (larven van de langpootmug).

Blad zit vol luizen: bladluis.

Vraat aan wortel of stengel van jonge slaplant: ritnaald (larve van kniptor).

Plant groeit slecht, verwelkt: aardrups.

Blad vertoont slijmsporen en wordt aangevreten: slakken (naaktslak).

Sla blijft achter in de groei; op de wortels zitten witgrijze luizen die een witte wollige massa op de wortels veroorzaken: wollige slawortelluis.

Blad wordt aangevreten door rupsen van de kooluil.

Schimmels & ziektes

Plant rot weg vanuit de onderkant van de krop: smet (grauwe schimmel).

Blad vertoont lichte vlekken aan de bovenkant, witte schimmel aan de onderkant: valse meeldauw.

Buitenste bladeren worden bruin waarna ze gaan rotten. Blad lijkt aan de grond verkleefd:  slijmrot (Sclerotinia).

Er ontstaan bobbels op het blad en er verschijnen doorzichtige banden langs de nerven: sla-bobbelvirus (Lettuce big-vein virus).

De wortels worden door een witte draderige massa bedekt: wollige slawortelluis.

Overig

Hart van de slaplant wordt uit de krop gegeten: (hout)duiven.

Aan de randen van het blad en soms in het hart van de slaplant ontstaan ‘glazige’, doorzichtige plekken.  De slaplant neemt meer water op  dan het verdampt waardoor de celwanden barsten: glazigheid.

Bladranden worden bruin: kalkgebrek (rand).

Verwante onderwerpen