Regenwormen

Grondwerkers bij uitstek

Glad, lang en dun is de regenworm en hij woont het liefst in de eerste vijfentwintig centimeter aarde onder ons gazon. Daar wordt de regenworm ontzien door de spittende tuinier en wordt hij door diezelfde tuinier beschermd tegen z’n grootste vijand, de mol. De meest voorkomende soort regenworm in onze tuin is de Lumbricus terrestris. Een volwassen exemplaar meet dertig centimeter en telt ruim honderdvijftig ringen. De kleur van een gezonde worm is rose tot roodbruin. De voorzijde is rond en daar zit de bek; de achterzijde is plat. Op een derde van de lengte vanaf de kop bevindt zich een band die van belang is voor de voortplanting van de worm.

Regenwormen kunnen maximaal tien jaar worden en dat zou je niet verwachten. Een verloren gegaan kop- of staartstuk kan opnieuw aangroeien. De regenworm neemt direct door de huid zuurstof op; longen bezit hij niet. Ogen heeft een worm evenmin maar het wormenlijf is gevoelig voor licht. Licht betekent voor de worm gevaar: de hete zon doet hem uitdrogen en bovendien is hij – als hij zo akelig zichtbaar is – een makkelijke prooi voor de vele vijanden.

Regenwormen planten zich voort door het leggen van eieren. Het duurt vijf maanden voordat een jonge worm uit het ei komt gekropen en dan heeft het wormpje nog anderhalf jaar nodig om volwassen te worden.

Elke tuin bezit regenwormen; per honderd vierkante meter tuin wroeten er ongeveer drieduizend in rond. Zij eten zich een weg door de aarde, die vermengd is met resten van halfvergane planten en diertjes. Op deze manier zorgt dit leger wormen ervoor dat er talrijke gangetjes ontstaan die voor een gezonde water- en luchthuishouding in de bovenste wortellaag van de beplanting zorgen. De door de worm geconsumeerde aarde, waarin al het organisch materiaal door de darmwerking van de worm verteerd is, wordt in de vorm van hoopjes aarde aan de oppervlakte afgezet. Andere soorten regenwormen vullen de hoger gelegen gangen met de verwerkte aarde. Dat levert prima grond op, rijk aan plantenvoedsel en mineralen uit de dieper gelegen lagen.

Het wormenleger is in staat om binnen een paar jaren de bovenste vijf centimeter tuingrond volledig te vervangen door ‘worm’-verwerkte aarde. Stenen die aan de oppervlakte lagen, zijn dan ook vijf centimeter onder het oppervlak gezakt.

herkennen regenworm
Regenworm, foto: James Lindsey - CC BY-SA 3.0

De tuinier en de regenworm
Veelvuldig spitten tussen de planten en het tuinoppervlak meedogenloos ‘schoon’ houden, leveren niet de ideale leefomstandigheden van de regenworm op. Door het spitten wordt de wormvriendelijke structuur van de grond vernietigd en zoekt deze een minder roerige omgeving op. Naakte aarde van het soort waarop geen gevallen blad ligt en geen onkruidje gedijt, biedt de regenworm geen bescherming tegen de altijd op wormen beluste vogels, egels, spitsmuizen en mollen. Vooral de laatste is een grootverbruiker: per dag kan een volwassen mol wel vijftig regenwormen aan. Mollen leggen zelfs speciale voorraadkamers aan waarin ze wormen bewaren.
De aanwezigheid van een compostbak is een grote stap in de richting van een gezonde wormenbevolking. In zo’n broeibak vol organisch afval vermenigvuldigen de wormen zich snel, zodat ze ook elders in de tuin hun goede werken kunnen uitvoeren.

Vorst

Niet alle planten zijn winterhard

Als het een paar graden gevroren heeft en de tuin ‘s morgens onder een laagje rijp gehuld gaat, betekent dat voor sommige planten een witte lijkwade. Zij hebben de vorst niet overleefd.

Temperaturen onder nul kunnen fatale processen in de groene delen van een plant in gang zetten, zoals bijvoorbeeld het slap worden van het blad. Dit gebeurt omdat het water in de cel-tussenruimten bevriest en er zodoende steeds meer water aan de cellen wordt onttrokken, zodat die dan verdrogen. Als de vorst lang aanhoudt, verdroogt het blad dermate dat herstel onmogelijk is. Ook als de temperatuur na een periode van vorst erg snel stijgt, kan er onherstelbare schade ontstaan. Het ijs in het blad dooit dan zo snel dat de door de droogte gekrompen celwand het tempo van de uitzetting niet kan bijhouden en barst. Ook een snelle inval van vorst kan fataal aflopen voor het blad. Het water in de cellen wordt dan niet eerst geleidelijk aan het blad onttrokken, maar bevriest in de cel zelf. De scherpe punten van de ijskristallen scheuren de celwand stuk. Kortom, kommer en kwel.

Er zijn echter planten die koude heel goed kunnen verdragen: deze soorten verdragen de vrieskou doordat in de celvloeistof een grote hoeveelheid suikers – antivries – is opgelost. Deze planten zijn winterhard, omdat de vorst hen onberoerd laten. Boerenkool bijvoorbeeld behoort tot deze groep planten en kan dus gedurende een groot deel van de winter op het land blijven staan. Een paar graden vorst verbetert zelfs de smaak, zo wil een oude volkswijsheid: vorst zorgt ervoor dat de boerenkool extra suiker aanmaakt en daarmee verdwijnt ook de bittere smaak.

De kans op vorstschade is naast de gevoeligheid van de plant ook afhankelijk van de standplaats. Sommige plekken in de tuin zijn kouder dan andere, de zogenaamde vorstgaten: tochtige plaatsen, waar de koude vrieslucht tussen huizen of langs dijken naar beneden zakt en blijft hangen. Zet daar geen vorstgevoelige planten.

Tot troost: als de vorst genadeloos in de tuin heeft toegeslagen, is het goed te weten dat de natuur de aangetaste planten vaak een herkansing geeft. Bloeien zullen ze het komende seizoen niet meer, maar er vormt zich later meestal wel weer nieuw blad.

Winterhard leverbloempje (Hepatica nobilis), foto: TuinTekst

Wie vorstschade-vrij wil tuinieren, kan kiezen uit bijvoorbeeld de volgende ijzersterke, winterharde vaste planten: duizendblad (Achillea), monnikskap (Aconitum), zenegroen (Ajuga), ossentong (Anchusa), geitenbaard (Aruncus), akelei (Aquilegia) en margrieten (Chrysanthemum). En forsythia, ribes, vlier (Sambucus) en Gelderse roos (Viburnum Opulus) behoren tot de winterharde heesters.