Graaduren

Planten hebben warmte nodig om te groeien en te bloeien

Planten en bodem moeten aan een bepaalde hoeveelheid warmte zijn blootgesteld om tot bladvorming en bloei te komen. Die warmtehoeveelheid is per soort verschillend en binnen de soort kan dat ook nog variëren. Voor warmte x tijd – de warmtesom – worden graaduren gehanteerd. Eén graaduur = 1 uur x 1°C.

Graaduren vind je ook terug in de bouw als het bijvoorbeeld over isolatie gaat. In de bosbouw varieert men hier enigszins op door het aantal uren en graden Celsius te tellen vanaf 5°C.

Onder invloed van de klimaatverandering bereiken planten door de stijgende temperatuur eerder de nodige warmtehoeveelheid om tot bladvorming en later tot bloei te komen. Dat is van grote invloed op het ecosysteem waarvan de betreffende plant deel uitmaakt. Bomen schieten eerder dan gebruikelijk in bloei, als de bestuivers onder de insecten er gewoon nog niet zijn. Daardoor zal de boom niet of slecht vrucht dragen.

Uit: Handboek Moestuin

Elzenpropjes, foto: CC0 Public Domain

Vanaf februari groeien elzenkatjes uit tot lange gele slierten.
Niet alleen de mannelijke katjes maar ook de vrouwelijke bloemen zijn het bekijken waard. Veel kleiner, maar met een mooie donkerrode tint.
Nu is het ook de tijd van het elzenhaantje, donkerblauwe kevertjes die zich op het jonge elzenblad storten.

Tomaten

Tomaten houden niet van regen

Een afdakje helpt tegen de regen, want tomaten zijn net als aardappelen erg gevoelig voor de pseudoschimmel Phytophthora.
Zodra er bruine plekken op blad en stengels verschijnen, heeft de tomatenziekte (Phytophthora) de kop opgestoken. Deze waterschimmel veroorzaakt de kenmerkende zwarte vlekken in op het loof van aardappels en tomaten. Het zijn schimmelachtige micro-organismen. Phytophthora overwintert op achtergebleven plantresten en in de bodem. Besmetting ontstaat door insecten, met wind en regen meegenomen sporen en in opspattend water. Tijdens periodes van zomers, warm en vochtig weer kan Phytophthora in korte tijd grote schade aanrichten.
Om tomatenziekte te voorkomen, worden tomaten belucht. In de professionele fruitteelt wordt gevolgd hoe lang het blad nat blijft (natbladperiode) en wat de temperatuur is. De combinatie van beide is medebepalend voor het ontstaan van Phytophthora. Goed gedraineerde grond helpt Phytophthora voorkomen: vocht stimuleert ontkieming van sporen.

herkennen Phytophtora
Foto: Rasbak CC BY-SA 3.0

Phytophthora beperkt zich niet alleen tot aardappels en tomaten. Rozen kunnen bijvoorbeeld last krijgen van wortelrot dat door phytophthora is veroorzaakt. Ook zilversparren, zoals de Nordmann-spar kunnen door phytophthora wortelrot krijgen, waardoor de spar uitdroogt en sterft.

Watergeven

Met een gieter of beregenen...

Tijdens droge periodes ontkom je er niet aan om planten in de tuin water te geven. Dat kan per plant met een gieter of alle planten tegelijk door de tuin te beregenen.
Met een gieter is het het beste om de grond rond de planten in een keer ruim te begieten. Eigenlijk zoveel dat de watergift ook de diepere plantenwortels bereikt. Op lichte gronden zal het water snel door de bodem worden opgenomen; op zware klei is dat niet het geval. De grond slaat al snel dicht en er vormen zich plassen: de grond is niet doorlatend.

Om te zien in hoeverre het water bij beregenen met een sproeier in de bodem is gezakt, kun je het beste op een paar plekken in de tuin even een spa in de grond zetten om te kijken tot waar de grond vochtig is. Gebruik een regenmeter om te meten hoeveel er beregend is en noteer de verhouding tussen het aantal beregende mm en het aantal mm vochtig geworden aarde. Ook handig om te weten bij regenval.

Ook bij beregenen geldt dat er beter in één keer ruim beregend kan worden in plaats van elke dag een beetje. Dagelijks een bescheiden hoeveelheid beregenen doet de bodem dichtslaan (klei!) en levert een hogere verdamping op ten opzichte van een wekelijkse forse hoeveelheid. Bovendien worden de dieper gelegen wortels niet bereikt en wordt een oppervlakkiger beworteling bevorderd, waardoor planten eerder uitdrogen. Maak de aarde na het watergeven los; dat voorkomt het dichtslaan van de grond. Bovendien droogt losgemaakte grond minder snel uit.

Tijdens droogte is het het beste om niet de hele tuin te beregenen, maar per plant een forse hoeveelheid water te geven, en dat één keer per week. Ontkiemend onkruid tussen de planten krijgt zo geen kans om te groeien. Pas geplante heesters en zomergoed hebben natuurlijk minder maar vaker water nodig, om te voorkomen dat ze niet uitdrogen.

’s Avonds watergeven geeft de planten de gelegenheid gedurende de nacht water op te nemen. Echter de vochtige omgeving maakt ook slakken actief. ’s Morgens watergeven voorkomt dat, maar verkort de tijd dat de planten een surplus aan water kunnen opslaan. ’s Morgens drogen de planten beter na het watergeven, wat dan weer de kans op schimmels beperkt.

Met ijzer verontreinigd water
Beek met ijzerhoudend water, foto: D. Hardesty - CC Public Domain

Grondwater uit de kuststreek kan een hoog zoutgehalte hebben. De meeste planten in de moestuin zijn niet zout-tolerant. Het zoutgehalte is zelf te meten.
Grondwater moet niet worden gebruikt als het sterk ijzerhoudend is. IJzerhoudende grondwater oxideert met zuurstof uit de lucht tot ijzeroxide (Fe3O4) – roest. Roest is niet in water oplosbaar en wordt niet door planten opgenomen. Roest veroorzaakt bruinige verkleuring van gewassen, bestrating, meubilair en muren van gebouwen. Omdat planten roest niet opnemen, hebben planten er weinig last van. Op bladgewassen neergeslagen roest maken de groente er niet lekkerder op.
IJzerhoudend grondwater kan dus wel voor bevloeiing (gieter) gebruikt worden, maar is ongeschikt om te vernevelen of te sproeien. Door aan vers grondwater te ruiken of het even te proeven is de aanwezigheid van ijzer vast te stellen.

Regenwormen

Grondwerkers bij uitstek

Glad, lang en dun is de regenworm en hij woont het liefst in de eerste vijfentwintig centimeter aarde onder ons gazon. Daar wordt de regenworm ontzien door de spittende tuinier en wordt hij door diezelfde tuinier beschermd tegen z’n grootste vijand, de mol. De meest voorkomende soort regenworm in onze tuin is de Lumbricus terrestris. Een volwassen exemplaar meet dertig centimeter en telt ruim honderdvijftig ringen. De kleur van een gezonde worm is rose tot roodbruin. De voorzijde is rond en daar zit de bek; de achterzijde is plat. Op een derde van de lengte vanaf de kop bevindt zich een band die van belang is voor de voortplanting van de worm.

Regenwormen kunnen maximaal tien jaar worden en dat zou je niet verwachten. Een verloren gegaan kop- of staartstuk kan opnieuw aangroeien. De regenworm neemt direct door de huid zuurstof op; longen bezit hij niet. Ogen heeft een worm evenmin maar het wormenlijf is gevoelig voor licht. Licht betekent voor de worm gevaar: de hete zon doet hem uitdrogen en bovendien is hij – als hij zo akelig zichtbaar is – een makkelijke prooi voor de vele vijanden.

Regenwormen planten zich voort door het leggen van eieren. Het duurt vijf maanden voordat een jonge worm uit het ei komt gekropen en dan heeft het wormpje nog anderhalf jaar nodig om volwassen te worden.

Elke tuin bezit regenwormen; per honderd vierkante meter tuin wroeten er ongeveer drieduizend in rond. Zij eten zich een weg door de aarde, die vermengd is met resten van halfvergane planten en diertjes. Op deze manier zorgt dit leger wormen ervoor dat er talrijke gangetjes ontstaan die voor een gezonde water- en luchthuishouding in de bovenste wortellaag van de beplanting zorgen. De door de worm geconsumeerde aarde, waarin al het organisch materiaal door de darmwerking van de worm verteerd is, wordt in de vorm van hoopjes aarde aan de oppervlakte afgezet. Andere soorten regenwormen vullen de hoger gelegen gangen met de verwerkte aarde. Dat levert prima grond op, rijk aan plantenvoedsel en mineralen uit de dieper gelegen lagen.

Het wormenleger is in staat om binnen een paar jaren de bovenste vijf centimeter tuingrond volledig te vervangen door ‘worm’-verwerkte aarde. Stenen die aan de oppervlakte lagen, zijn dan ook vijf centimeter onder het oppervlak gezakt.

herkennen regenworm
Regenworm, foto: James Lindsey - CC BY-SA 3.0

De tuinier en de regenworm
Veelvuldig spitten tussen de planten en het tuinoppervlak meedogenloos ‘schoon’ houden, leveren niet de ideale leefomstandigheden van de regenworm op. Door het spitten wordt de wormvriendelijke structuur van de grond vernietigd en zoekt deze een minder roerige omgeving op. Naakte aarde van het soort waarop geen gevallen blad ligt en geen onkruidje gedijt, biedt de regenworm geen bescherming tegen de altijd op wormen beluste vogels, egels, spitsmuizen en mollen. Vooral de laatste is een grootverbruiker: per dag kan een volwassen mol wel vijftig regenwormen aan. Mollen leggen zelfs speciale voorraadkamers aan waarin ze wormen bewaren.
De aanwezigheid van een compostbak is een grote stap in de richting van een gezonde wormenbevolking. In zo’n broeibak vol organisch afval vermenigvuldigen de wormen zich snel, zodat ze ook elders in de tuin hun goede werken kunnen uitvoeren.

Voorjaar

Het gaat beginnen!

De dagen lengen, de gemiddelde temperatuur kruipt omhoog, narcissen en krokussen bloeien al. In de moestuin kan wordt compost gestrooid en ingeharkt. Onder glas of in een kas kan al worden gezaaid.
Als de gemiddelde temperatuur boven de 7°C komt, begint het gras te groeien en ook onkruiden steken de kop op. Insecten komen uit hun winterslaap, bijen gaan op zoek naar nectar en sommige insecten gaan op zoek naar fris jong blad. Schimmels en andere ziekteverwekkers worden met het stijgen van de temperatuur actief.
Koolwittevliegen hebben op groenblijvende planten overwinterd en vermenigvuldigen zich in het voorjaar razendsnel om vervolgens koolplanten en aardbeien in de moestuin te koloniseren.
Kiemplantenziekte, een schimmel, tast in het voorjaar jonge bietenplantjes aan.
Gelukkig is het lang niet allemaal kommer & kwel in de moestuin. Voldoende voedingsstoffen en water zorgen voor gezonde gewassen die tegen een stootje kunnen. Wisselteelt houdt bodemparasieten in toom. Schoon gereedschap voorkomt overdracht van ziekteverwekkers.
Is er toch iets mis in de moestuin, dan biedt deze website uitkomst. Deze relationele database geeft per gewas een overzicht van ziektes en plagen. Per plaag wordt vermeld wat eraan te doen is en hoe de plaag te voorkomen.

Pissebedden, foto: Acélan - CC BY-SA 3.0

Pissebedden leven van organisch materiaal en dragen zo bij aan de humusvorming in de bodem. Ondergronds doen pissebedden goed werkt, maar bovengronds is dat helaas niet zo. In het vroege voorjaar, als de eerste zaailingen tevoorschijn komen, vreten pissebedden jong plantgoed aan. Ook bloemen en vroeg fruit zoals aardbeien kunnen aangetast worden.
Insecten, spinnen, kikkers en vogels zijn de natuurlijke vijanden van de pissebed.

Coloradokever

Moestuinier let op uw aardappelen

Coloradokevers en de larven eten het blad van aardappelplanten. En dat doen ze pijlsnel. Vang de kevers en vernietig ze. De kever is + 10 mm groot en is erg schadelijk. Controleer de aardappelaanplant regelmatig op de eitjes aan de onderkant van het blad, vernietig deze. Zie je kevers in de aardappelplanten, houd dan een emmer onder de planten en schudt aan de planten: de kevertjes schrikken en laten zich in de emmer vallen.

Coloradokever, foto: US – Agricultural Research Service

De coloradokever heeft alleen in zijn oorspronkelijk verspreidingsgebied natuurlijke vijanden; in de nieuw gekoloniseerde gebieden leven geen predators die bestand zijn tegen het gif van de kever en zijn larven. Tot de natuurlijke vijanden behoren vogels, spinnen, hooiwagens en meer dan dertig verschillende insecten. Voorbeelden van insecten die de kever of zijn larven aanvallen zijn loopkevers, weekschildkevers, wespen, wantsen en vliegen.